Pagina delen
Wat noemen we eigenlijk natuur?
Column José van der Plas – Op de Strabrechtse Heide wordt op sommige plekken steenmeel uitgestrooid. Fijngemalen gesteente, bedoeld om een verzuurde bodem te helpen herstellen. Er wordt geplagd, er lopen schapen rond en jonge bomen worden weggehaald om te voorkomen dat de heide dichtgroeit.
Best veel menselijk ingrijpen voor iets wat we natuur noemen.
Je hoort het argument dan ook weleens: heide is toch helemaal geen echte natuur? Als je er niets doet, wordt het uiteindelijk bos.
Daar zit een kern van waarheid in. Veel van onze heide is door mensen ontstaan. Eeuwenlang maakte de heide zelfs deel uit van het landbouwsysteem. Schapen graasden er, plaggen gingen de potstal in en hielpen vervolgens de akkers vruchtbaar te houden. Boeren hebben dus letterlijk meegebouwd aan een landschap dat we nu als natuur beschermen.
Ik vind dat overigens geen reden om het dan maar te laten verdwijnen. Dat een landschap door mensen is gevormd, maakt het niet minder waardevol. We kunnen de heide willen behouden omdat er leven aan gebonden is, omdat ze bij onze geschiedenis hoort of simpelweg omdat we vinden dat zo’n landschap de moeite waard is.
Maar het maakt de vraag wat we eigenlijk met ‘natuur’ of ‘natuurlijk’ bedoelen wel interessant. Onlangs hoorde ik Koert van Mensvoort van Next Nature spreken over technologie. Sommige technologieën, vertelde hij, zijn zo diep verweven geraakt met ons bestaan dat we ze amper nog als technologie herkennen.
Koken bijvoorbeeld, of kleding. Niemand trekt ’s morgens een jas aan en denkt: kijk mij eens gebruikmaken van deze geweldige technologische innovatie. Ook landbouw hoort in dat rijtje thuis.
Landbouw is misschien wel een van onze oudste technologieën. Mensen gingen planten selecteren, dieren houden, grond bewerken en water sturen. Wie zaait, probeert de omstandigheden zo te beïnvloeden dat er later iets te oogsten valt.
We doen dat inmiddels zo lang dat we het technologische karakter ervan gemakkelijk uit het oog verliezen. Een akker of weiland is vooral een vertrouwd onderdeel van het landschap geworden.
En dat terwijl landbouw technologischer is dan ooit. Machines rijden op gps. Sensoren meten wat bodem en gewas nodig hebben. Water en voedingsstoffen kunnen steeds preciezer worden toegediend. En inmiddels bestaan er machines die met camera’s een individuele onkruidplant herkennen en die met een laser uitschakelen.
Een laser op een akker klinkt ongeveer zo onnatuurlijk als het maar kan. Maar juist zo’n techniek kan het mogelijk maken om heel precies één ongewenste plant aan te pakken, in plaats van een middel over een veel groter oppervlak te verspreiden.
Dat maakt hightech landbouw niet automatisch beter. Techniek kan helpen om preciezer en met minder neveneffecten te werken. Maar ze kan ons ook in staat stellen natuurlijke grenzen steeds verder op te rekken: bodem en water zwaarder te belasten, productie verder op te voeren of dieren steeds verder aan een productiesysteem aan te passen. Niet alles wat technisch kan, is daarmee ook wenselijk.
Maar het omgekeerde klopt evenmin: meer techniek betekent niet vanzelf meer afstand tot natuur.
Meer techniek betekent niet vanzelf meer afstand tot natuur
Misschien oordelen we daarom te gemakkelijk op basis van de zichtbaarheid van de menselijke hand. Steenmeel op een heideveld valt op. Een laser op een akker al helemaal. Een ploeg nauwelijks meer. Niet omdat die minder ingrijpend is, maar omdat we al duizenden jaren gewend zijn dat mensen op die manier grond bewerken om voedsel te produceren.
En ook in natuurbeheer zelf blijkt techniek geen eenvoudige maat voor natuurlijkheid. Op de heide sturen we behoorlijk precies, juist omdat we dát landschap willen behouden. Bij rewilding zoeken we eerder het andere uiteinde op: voorwaarden herstellen en daarna menselijke sturing zoveel mogelijk terugnemen, zodat natuurlijke processen meer ruimte krijgen.
Ook daar zit dus een grensvraag onder: hoe lang blijf je sturen op het beeld dat je zelf voor ogen hebt, en wanneer moet je juist ophouden met sturen?
Dat maakt de tegenstelling tussen natuur en techniek voor mij steeds minder bruikbaar. De hoeveelheid techniek zegt op zichzelf nog weinig over de uitkomst. Techniek kan helpen om te behouden, te produceren, te herstellen of juist ruimte te maken. Ze kan ons preciezer laten ingrijpen, maar ook verleiden om te veel te vragen. Wat ertoe doet, is wat ons ingrijpen teweegbrengt.
Misschien hoeven we daarom niet steeds te vragen of iets wel natuurlijk genoeg is. Niet de hoeveelheid techniek bepaalt wat iets waard is. Interessanter is wat we ermee mogelijk maken.