Pagina delen
Beginnen moet verstandiger worden dan wachten
Column José van der Plas – Aan de muur van mijn werkkamer hangen kaarten van de natuuropgave in Brabant. Laatst stonden we er met wat mensen voor, bij een gebied waar we samen kansen zien. De natuurdoelen zijn haalbaar, er liggen mogelijkheden en de puzzel lijkt op het eerste gezicht niet uitzonderlijk ingewikkeld. Toch gebeurt er weinig. Verschillende organisaties hebben het gebied in beeld, maar op dit moment lijkt niemand de handschoen op te pakken om de kansen verder uit te werken.
Een paar kaarten verder is het bijna andersom. Daar is de opgave taai, want herstel van het watersysteem vraagt om veranderingen in het grondgebruik. Agrarische ondernemers zouden misschien kunnen bewegen, maar daarvoor is goede ruilgrond nodig. En die hebben we daar op dit moment niet.
Twee gebieden, twee blokkades. In het ene kan veel, maar ontbreekt iemand voor wie het belangrijk genoeg is om te blijven trekken. In het andere willen mensen misschien wel verder, maar ontbreekt iets heel praktisch om dat mogelijk te maken.
Dat zie ik vaker. Niet omdat de wil ontbreekt, maar omdat wie iets wil realiseren afhankelijk is van anderen. Van grondeigenaren, financiers of partijen die een besluit moeten nemen.
Misschien valt me dat extra op vanwege mijn achtergrond in gebiedsontwikkeling. Jarenlang werkte ik aan stedelijke gebiedsontwikkelingen, waar het bij elkaar brengen van dit soort afhankelijkheden een belangrijk onderdeel van het vak is. Ook daar gaat dat bepaald niet vanzelf. Je hebt te maken met grondposities, infrastructuur, vergunningen, financiering en allerlei publieke en private belangen die niet altijd met elkaar te verenigen zijn.
In de stedelijke gebiedsontwikkeling zit daar doorgaans een stevige economische motor onder. Een ontwikkelende partij investeert voordat alles zeker is, koopt grond, maakt plannen, onderhandelt en probeert obstakels op te lossen. Als het lukt, is er ook iets te winnen. Er worden woningen gebouwd, een gebied krijgt waarde en een deel daarvan komt terecht bij degene die eerder risico nam.
In het landelijk gebied werkt dat anders. Goede natuur en een goed functionerend watersysteem zijn van grote maatschappelijke waarde, maar die waarde komt niet vanzelf terecht bij degenen die daarvoor in beweging moeten komen. Een grondeigenaar kan waarde inleveren, een ondernemer moet investeren of zijn bedrijfsvoering aanpassen en een waterschap kan aanzienlijke middelen inzetten, terwijl het uiteindelijke resultaat mede afhankelijk blijft van wat anderen doen.
Het gebied kan erop vooruitgaan, terwijl een afzonderlijke partij erop achteruitgaat.
Ik vind het dan ook niet zo vreemd dat mensen soms liever wachten dan zelf het initiatief nemen. Zeker niet wanneer er onzekerheid bestaat over beleid en beschikbare middelen. Wie een besluit neemt dat twintig of dertig jaar doorwerkt, wil wel weten waar hij aan toe is.
Maar we schieten er weinig mee op als iedere betrokken partij goede redenen heeft om af te wachten. Het noodzakelijke natuurherstel komt dan niet verder, en dat heeft niet alleen gevolgen voor de natuur zelf. We zien immers ook hoe de staat van de natuur doorwerkt in de mogelijkheden voor andere ontwikkelingen in Brabant, bijvoorbeeld bij de vergunningverlening voor woningbouw, bedrijven en infrastructuur.
Daarom zie ik natuurherstel steeds minder als een reeks losse natuurprojecten. Het is gebiedsontwikkeling. En dan is voor mij niet alleen de vraag wie formeel verantwoordelijk is. Ik wil weten waar de beweging zit. Wie heeft voldoende belang en energie om iets werkelijk verder te brengen?
Ik wil weten waar de beweging zit. Wie heeft voldoende belang en energie om iets werkelijk verder te brengen?
Dat kan een waterschap zijn als water de sleutel is. Elders misschien een gemeente, ondernemers, een natuurorganisatie of de provincie. Wie het initiatief neemt, hoeft wat mij betreft niet overal hetzelfde te zijn. Maar wie wil beginnen, moet vervolgens ook verder kunnen. Daarvoor kan het nodig zijn om grond te kopen of te ruilen, met ondernemers voorstellen uit te werken, financiering bij elkaar te brengen en afspraken te maken. Soms zijn er ook publieke besluiten nodig. Als niet duidelijk is wie die kan nemen of wanneer, komt een ontwikkeling alsnog niet verder.
Dat vraagt ook iets van de overheid. Die moet duidelijkheid bieden over de natuur- en waterdoelen die gehaald moeten worden, maar ook over de ruimte voor maatwerk en oplossingen vanuit het gebied. En waar belangen botsen, moet de overheid bereid zijn knopen door te hakken. Binnen die kaders moet vervolgens voldoende ruimte zijn om samen met de betrokken partijen te zoeken naar wat werkt.
Hoe je tot uitvoering komt, zal per gebied verschillen. De Peel is nu eenmaal niet de Brabantse Wal. De bodem, het water, de aanwezige bedrijven en de beschikbare grondposities bepalen voor een belangrijk deel wat er mogelijk is. Maar dat betekent niet dat we ook de uitvoering telkens opnieuw moeten uitvinden. We hebben in Brabant veel kennis en ervaring opgebouwd met grondruil, het opvangen van waardeverlies, het combineren van financiering en het maken van uitvoerbare afspraken. Die ervaring kunnen we in verschillende gebieden benutten, ook als de oplossingen uiteindelijk anders zijn.
Daar zit voor mij de praktische betekenis van uitvoeringskracht. Niet alleen plannen maken en kansen zien, maar ook zorgen dat de mensen die iets willen ondernemen over de mogelijkheden beschikken om daadwerkelijk stappen te zetten.
Want op de kaarten aan mijn muur zie ik zelden gebrek aan plannen. En meestal ook geen gebrek aan mensen die iets willen.
Beginnen wordt pas verstandiger dan wachten als we ervoor zorgen dat wie wil bewegen ook kán bewegen.